Varia
Boekenrubriek | Links | Interviews | Artikelen | Columns
Kijk eens naar de lelies  

14-04-2007

In de meivakantie heb ik eindelijk weer eens een blik kunnen werpen op een typisch Nederlands tafereel dat blijft fascineren: uitgestrekte bloeiende bollenvelden. Eerst zag ik ze vanuit de trein van Leiden naar Schiphol en later in de platte polders van Flevoland. Die kleurige bloemenpracht haalt waarschijnlijk bij veel toeschouwers de woorden van Jezus in de herinnering naar voren, dat de bloemen op het veld zo prachtig gekleed worden door onze hemelse Vader. En hoewel het in de tekst (Math. 6: 28, Lucas 12: 27) over lelies gaat, trekt er voor mijn geestelijk oog een onmetelijk groot veld bloeiende tulpen voorbij. Grappig, hoe de plaatjes in je hoofd beïnvloed of bepaald worden door datgene waar je juist mee bezig bent, wat je juist in de realiteit om je heen ziet. Het menselijk brein legt veel verbanden waar we ons niet eens van bewust zijn. Wat een prachtig stukje schepping is ook dat weer!

Maar ik dwaal af. Ik zag de bloeiende tulpenvelden en genoot van de aanblik. Tot ik even verderop een aantal landarbeiders ontwaarde, die de bloemen aan het ‘koppen’ waren. * slik * Ik voelde het mes bijna over mijn eigen nekje glijden. Het zou verboden moeten worden! Zo’n uitbundig bloeiende bloemenzee - gewoon massaal ‘tsjak’ en de schoonheid ligt ernaast! Had dat nou niet nog even kunnen wachten tot die bloemen vanzelf uitgebloeid waren? Moet dat nou op deze manier?

Ja, dat moet helaas. Die schoonheid waar stedelingen graag een stuk voor omrijden is voor de bollenkwekers hun bron van inkomsten. De bloei is even nodig om de bollen tot volledige ontwikkeling te brengen, maar te lange bloei put de bollen uit en dan heeft de kweker er niet veel meer aan. En dus is het genoegen voor de voorbijganger maar van korte duur. Maar laten we nu eens proberen er van een andere kant tegenaan te kijken. Als we het nu eens niet zien als sloopwerk van de kwekers (of hun arbeiders, de ‘koppensnellers’) die zo iets moois vernietigen, maar als een cadeautje dat hun broodwinning een mooi bijproduct heeft, waar veel mensen even van kunnen genieten.

Het lijkt wel of dit gegeven (hard werken, broodwinning, zelf zorgen voor je levensonderhoud) lijnrecht tegenover de context van Jezus’ woorden staat. Jezus wijst er immers op, dat God zal voorzien in wat we nodig hebben? Dat Hij ook zorgt voor de schepselen die niet in staat zijn zelf hun voedsel te kweken en hun kleding te weven? Dan hoeven we toch niet te werken – dan hoeft de kweker zijn bollen toch niet te koppen en te rooien? Inderdaad, God zal voorzien. Maar wellicht voorziet Hij in werk, dat ons in staat stelt om te leven. De boven beschreven bloembollenkwekerij vind ik een mooi voorbeeld van werk, waar Gods scheppingskracht duidelijk zichtbaar in wordt. Niet iedereen heeft werk waarin Gods aanwezigheid zodanig zichtbaar is. Maar vergeet niet dat ook de kweker vaak zal mopperen als het te droog of te nat of te warm of te koud is – had God dat niet beter kunnen sturen? Desondanks mogen we er op vertrouwen dat God voor ons zorgt door ons te helpen voor ons zelf te zorgen. En dat Hij ons opvangt in tijden dat we het zelf even niet redden. God zal voorzien in wat we nodig hebben. Realiseren we ons, dat genieten van Zijn schepping soms ook hard nodig is?

Els Kleingeld