Ik heb gekrenkte haren op mijn balkon.
U heeft zich wellicht afgevraagd, of u het goed gelezen hebt.
Ja, dat staat er. Ik heb gekrenkte haren op mijn balkon. Op de avond
van een mooie septemberse nazomerdag zag ik ze opeens. Ik heb een klein
balkonnetje op het noorden, waar zo tussen zes en half acht ’s
avonds de zon net op valt. Ik kan er een klein tuinstoeltje neerzetten
en dan zit ik lekker met mijn bord of een boek op schoot te genieten.
En toen zag ik dus opeens die gekrenkte haren.
De vorige bewoners hebben het balkon wit gekalkt. In de dikke laag witkalk
is op een plekje op ooghoogte een flink aantal zeer beschadigde haren
van de kwast vast blijven zitten. Gekrenkte haren, dat waren voor mij
altijd gebroken, geknikte haren. En precies zoals ik ze mij voorgesteld
had, zag ik ze aan de muur hangen.
Het begrip ‘gekrenkte haren’ heb ik natuurlijk uit het Bijbelse
taalgebruik. Ik meende me iets te herinneren van een belofte, dat God
er voor zorgt dat niemand een haar gekrenkt zal worden en nam als vanzelfsprekend
aan dat die belofte ook voor mij geldt. Mij als kind van God zal geen
haar gekrenkt worden. Zijn oog rust op mij, voor mij wordt gezorgd,
het zal me goed gaan.
Maar toen ik in de concordantie nakeek waar het citaat precies voorkomt,
zag ik tot mijn verbazing dat het niet een algemene belofte aan de hele
christenheid is; nee, het werd gezegd in een situatie waar het letterlijk
om lijfsbehoud ging en waar nog wel meer dan alleen haren op het spel
stond. Het staat in Handelingen 27:34. Paulus lijdt schipbreuk en roept
zijn medereizigers op ondanks alles te eten en te drinken, want ze zullen
gered worden, niemand zal een haar op het hoofd gekrenkt worden.
Toch zat ik er met mijn herinnering niet heel ver naast. Eén
van mijn Duitse Bijbels verwijst bij dit vers naar Matheus 10:30, waar
Jezus zijn discipelen vertelt over de goede zorgen van de Hemelse Vader:
Er zal geen mus ter aarde vallen zonder dat God er van weet, en net
zo min zal van ons mensen ook maar één haar van ons hoofd
vallen zonder dat Hij het weet. Is het niet ongelofelijk? Al die duizenden
haren die al die miljarden mensen hebben? Maar wij Christenen geloven
het juist wel! En het is wel degelijk een belofte aan ons allen.
Die gekrenkte haren op mijn balkon laat ik lekker zitten. Het is toch
prachtig als zo’n onhandigheidje van een klusser mij op zulke
heerlijke en vooral ook geruststellende gedachten brengt!
Els Kleingeld
|
|
|