Preken

terug naar prekenoverzicht

Preek bij Lucas15:1-10 door Ds. F.H. Blokhuis

de gelijkenissen van het schaap en de munt


Geliefde broeders en zusters van onze Here Jezus Christus,

Als je gaat winkelen, dan zie je weleens een kind dat zijn ouders kwijt is.
Ik herinner me uit mijn eigen kinderjaren, dat we in Rotterdam waren, mijn moeder en een paar kinderen, ook mijn jongste broer Bert. Bert was een jaar of vijf.
En we kwamen in de V&D - en daar raakten we Bert kwijt.
Ik zou ook kunnen zeggen dat hij óns kwijt raakte. Want wie is wie nou kwijt?

Normaal gesproken ga je in zo'n geval elkáár lopen zoeken. Volwassen mensen doen dat zo: die komen van twee kanten in actie.
Maar een klein kind kan dat niet. Die voelt zich hopeloos verloren in de drukte. Die weet niet waar die is. Die gaat schreeuwen.
Mijn broer Bert deed iets anders: hij ging bij de deur staan. En daar bleef hij op ons wachten. Hij ging dus zelf niet zoeken. Het zoeken liet hij aan ons over. Hij dacht: hier, bij de ingang, zal ik wel gevonden worden. Vroeg of laat komen ze hier langs.
Ik weet nog, dat mijn moeder hem daarom prees. Dat heb je wijs gedaan.

Vanmiddag gaat het over mensen die God kwijt zijn, maar nog veel meer over God, die die mensen kwijt is.

In Luk.15 vertelt de Here Jezus drie gelijkenissen, waarvan die derde het aller bekendst is: de gelijkenis van de verloren zoon.
Misschien kunnen wij ons in deze derde gelijkenis het beste verplaatsen, want dat is de enige gelijkenis, waarin wij onszelf iets zien doen. Namelijk terugkeren tot God.
Die beweging van de zoon naar zijn vader - wij denken ook dat het vooral om die beweging gaat.
Als ik God kwijt ben, dan moet ik iets doen, denken wij. Dan hangt het van mij af, of ik Hem weer terug vind. Ik moet de beweging naar Hem toe maken.

Maar als we er nu eens goed over nadenken, hóe die verloren zoon terug keert, dan moeten we toegeven, dat die beweging van hém, naar zijn vader toe, nou niet zo denderend was.
Waarom wil hij terug naar zijn vader? Dat zegt hij in vers 17: bij mijn vader is brood in overvloed.
Het is helemaal niet zozeer iets van berouw, waarom hij terug­komt. Nee, het is gewoon zijn honger die hem weer naar huis toe drijft.
Natuurlijk, hij prevelt daar wel een paar mooie zinnen bij. Maar je kunt twijfels hebben bij het motief van zijn bekering.

Het gaat in deze gelijkenis dan ook niet zozeer om de daad van de zoon - nee, Jezus vraagt onze aandacht voor die vader. Hij vertelt het vanuit de belevingswereld van de vader.
Dat vergeten wij weleens.
Wij gaan meestal uit van de zoon, en als wij het aan onze kinderen vertellen, dan leven wij ons helemaal in, in die zoon: die zoon is zijn vader kwijt. En hij vindt hem gelukkig weer terug.
Maar Jezus vertelt juist het omgekeerde: de vader is zijn zoon kwijt. En de vader vindt zijn zoon terug.
Dat is precies het omgekeerde.
Vers 24: mijn zoon is gevonden (niet de vader).
En vers 32 nog een keer: je broeder is gevonden.
Het belangrijkste is niet, dat de zoon zijn vader terug vindt, maar de kern van deze gelijkenis is: dat de vader zijn zoon heeft gevonden.

Je zult denken: dat is toch hetzelfde? Ze zijn elkaar kwijt, en wie nou als eerste de ander terugvindt, dat is dan toch niet belangrijk?
Is het niet spelen met woorden: dat de vader zijn zoon vindt en dat niet de zoon zijn vader vindt?

Kijk, en nu is het goed, om er die eerste twee gelijkenissen eens bij te nemen.
Het gaat om een schaap en om een schelling, een munt.
En wat zegt Jezus: is het schaap zijn herder kwijt? Is de munt die vrouw kwijt?
Nee, dat kan natuurlijk niet. Een munt heeft geen gevoel.
Wat zegt Jezus: een herder verliest een schaap. En een vrouw verliest een schelling.

De Here Jezus vertelt hier dus zo, dat we niet denken aan wat dat schaap voelt, of wat die munt meemaakt - nee, het gaat hier puur om het gevoel van de herder en van de huis­vrouw.
Het loopt straks ook uit op hùn blijdschap. De blijdschap van de engelen in de hemel.
Het schaap zal ook wel blij geweest zijn, en opgelucht, maar daar praat Jezus niet over in Luk.15.

Hoe komt een verdwaald schaap weer terecht? Moet hij op zijn reuk afgaan? Moet hij gaan draven, door de woestijn, totdat hij zijn kudde weer terug vindt?
Jezus zegt: zo'n schaap is verloren. Dat wil zeggen: er komt niks meer van terecht. Je kunt het afschrijven. Je hoeft er niet op te rekenen, dat het uit zichzelf nog terug komt.

Nou, een herder weet dat. En een goede herder heeft hart voor zijn schaap. Hij heeft met dat beest te doen. Hij weet: zonder mij gaat'ie dood.
Een sléchte herder zal alleen maar aan zichzelf denken. Hij gaat rekenen: ik heb nog 99 schapen over, eentje meer of min­der, ach. Ik ga echt geen moeite doen voor dat ene schaap. Als ik niet uitkijk, dan kost het zoeken mij een paar nachten. Ja, het kan mij zelfs mijn leven kosten, in de wildernis.
Zulke herders bestaan, die zo denken.
We lezen ervan bij de profeet Ezechiel: Wéé de herders, die zichzelf weiden! De herders die allen maar aan zichzelf denken en die geen hart hebben voor hun schapen.
Hun vet eten jullie, met hun wol kleden jullie je, het gemeste slachten jullie, maar weiden is er niet bij. De zwakke schapen versterken jullie niet, de zieke genezen jullie niet, de gewonde verbinden jullie niet, de afgedwaalde (!) haal je niet terug en de verloren (!) schapen zoek je niet op.
God is zo kwaad op zulke herders: Je weet, dat een verdwaald schaap in de woestijn zal omkomen, maar je laat hem stikken! Je weet, dat een verloren schaap de kudde nooit meer zal vinden, maar je laat hem gaan!
Wie moeten er zoeken: de herders! Van de herders moet het initiatief uitgaan.

Zo is God. Die wil geen enkel schaap kwijtraken.
Het staat ook heel mooi in Jes.53, dat bekende hoofdstuk over het lijden van Jezus: wij allen dwaalden als schapen. Wij allen, dus niet: maar één op de honderd, en de andere 99 niet, nee: wij allen dwaalden.
En wat zegt God dan: zie maar dat je de Herder weer terug vindt?
Nee; wij allen dwaalden als schapen, máár, ja, en dan komt de Here Jezus. En Hij draagt ons. Hij draagt ons op zijn schou­der. Hij neemt daarbij ook onze zonde op zich, en onze ziekte. Dat is de Herder van Jes.53.
Hoe ben je herder?
De mensen waar Jezus tegen praat in Luk.15, zijn de Farizeeers en de schriftgeleerden; dat zijn mensen die absoluut geen liefde hebben voor de mensen die hun zijn toevertrouwd. Ze schelden erop: de massa die de wet niet kent!
En ze kijken vanuit de hoogte neer, in het bijzonder op de tollenaren en zondaren.
Dat zijn de verloren schapen. Mannen en vrouwen die niet deugen. Ik dank U dat ik zo niet ben, zo bidden de Farizee­ers. En ze halen hun neus op, als Jezus contacten legt met zulke mensen.
Jezus zegt: Maar IK ga er op af. Ik ga zoeken. Al kost het Mij dagen en nachten - al kost het Mij mijn leven...

De Farizeeers en schriftgeleerden hebben iets over zich van: een mens moet er zelf ook iets voor doen. En: dan had je maar niet zover moeten afdwalen. Dan had je maar beter op jezelf moeten passen.
Zij passen goed op zichzelf.

Jezus komt met een tweede gelijkenis: van een schelling. Had die schelling beter op zichzelf moeten passen?

Even iets over zo’n schelling: de Joodse bruiden hebben op hun voorhoofd een sieraad, en dat bestaat uit een even aantal schel­lingen, bijvoorbeeld vijf links en vijf rechts.
Je kunt je voorstellen, als je één zo'n schelling kwijt bent, hoe erg dat is. Dat is niet zomaar een tiende van je vermogen, nee, dat betekent: je sieraad is niet meer compleet. Je kunt dat ding niet meer dragen. Je loopt voor aap. Het is waardeloos geworden.
Zo erg is het, als God een mensenkind kwijt is.
God zegt niet: Joh, Ik heb er nog wel negen andere. Nee, die ene schelling is voor Hem onmisbaar. Hij zegt: die kan Ik niet missen. Die wil Ik niet kwijt zijn.
Zo kostbaar ben je in de ogen van God.

Intussen ligt die schelling waarschijnlijk gewoon ergens op de grond. Hij geeft geen kik. Hij voelt ook geen gemis. Hij denkt niet: Och, wat had ik het vroeger toch goed, toen ik nog aan die bruidstooi zat...
De schelling is er zich niet van bewust, dat iemand hem kwijt is. Zo zijn er verloren mensen, die zomaar zijn kwijt geraakt, en ze hebben dat zelf niet zo in de gaten.
Want nogmaals gemeente, het gaat in deze gelijkenissen niet erom, dat de zondaren God kwijt zijn, maar het gaat erom, dat Hij hun kwijt is.
Het gaat er niet om, dat wij Hem vinden, maar het gaat erom dat Hij ons vindt.

In hoofdstuk 14 lezen we eigenlijk hetzelfde: de mensen die zijn uitgenodigd aan de maaltijd van de heer, die komen niet. Ze hebben allemaal een verontschuldiging.
En wat zegt die heer dan, in 14:21: Ga aanstonds de straten en de stegen van de stad in en breng de bedelaars en misvormden en blinden en lammen hier.
Dat zijn de tollenaars en de zondaars van onze tekst. Ga ze zoeken.
Die mensen hadden er absoluut niet op gerekend, dat ze bij God mochten komen. Ze waren allang niet meer op zoek naar Hem. Ze zouden het niet durven.
En nou zegt God: Ik heb jullie gevonden.
Ik heb mijn schaap gevonden, dat verloren was.
Ik heb mijn schelling gevonden, die ik verloren had.
Mijn zoon, die dood was - Ik heb hem gevonden.

Wat zégt deze gelijkenis ons over God?
Dit: dat Hij het verlies niet néémt. Hij legt zich er niet bij neer.
Ik zeg het even wat gek: onze God kan niet tegen zijn verlies!
Hij kan het niet aanzien, dat er iémand verloren gaat.

Dat wil Hij niet.
Iemand zegt: dat willen wij mensen toch ook niet?
Wij kunnen toch ook niet tegen dit soort verlies?
Wij willen toch ook, dat onze kinderen gered worden; en onze buren, en onze vrienden?

Ja - daar moet ik toch iets meer van zeggen.
Want natuurlijk willen wij dat.
En tóch zit er in ons iets van dat Farizeeën-bloed.
Wij schiften. Wij bepalen: die wel, en die niet.
De zondaren, de verloren mensen, nee, die niet.
Er is toch iets in ons van het-elkaar-misgunnen.
Iets van Jona: het is voor óns en niet voor de anderen.

Wij zijn opgevoed met een strenge God.
Wij hebben daardoor iets Farizeïstisch over ons, iets onbarmhartigs, naar anderen toe, maar ook naar onszelf. Wij zien God vaak als de strenge Heer, die ons opjaagt. Die ons afmat en uitput. Als de Beul, als een huurling eigenlijk, een kwaaie herder die de meeste van zijn schapen - laat verloren gaan.

Wij denken Farizeïstisch, dat de Here wacht op ons gezoek. Op onze geestelijke ijver. Wij denken dat ons geloof staat of valt, met onze acties. Alsof wij onszelf kunnen rechtvaardigen; alsof we het zelf kunnen verdienen.
En als we ietwat verdwalen, denken wij, dan moeten we ook zelf maar weer de weg terug zien te vinden.

Onze kerkvader Johannes Calvijn, die heel veel goeie dingen heeft gedaan, heeft ons ook geleerd, dat onze God al bij de aanvang van de wereld twee groepen van mensen in zijn gedachten had: een kleine groep van uitverkoren mensen - die worden gered. En de rest is volgens Calvijn voor eeuwig verloren.
Ik geloof, dat een hoofdstuk als Lukas 15 ons nu net iets ánders wil zeggen.
De Here Jezus zegt niet: Hier heb je de uitverkoren mensen - en daar de verloren mensen. En jammer...
Nee: die verloren mensen - daar is Jezus nu juist voor gekomen!

De gelijkenissen in Luk.15 - dat moeten we goed zien, zijn een bood-schap voor de Farizeeërs en de schriftgeleerden.
We hebben dat pas ook gezien, bij de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan: hoe belangrijk het is om erop te letten, tegen wié Jezus dit zegt; in welke situatie. Dat geldt trouwens voor ieder bijbelgedeelte.
De gelijkenis van de barmhartige Samaritaan is verteld aan zo’n trotse wetgeleerde, die dacht dat hij zelf Jezus niet nodig had. Een man die dacht: hiér sta IK - en dáár heb je de stumpers.
De gelijkenis van het schaap en van de schelling is gericht tegen de trotse Farizeeërs en schriftgeleerden: ook van die mensen die zich te groot voelden voor Jezus. Die heel zwart-wit dachten, heel gearriveerd: je bent binnen, net als wij, of je bent verloren.
Jezus leert ze: dat verlorene kom Ik nu juist zoeken.
En in de hemel is het feest, om de bekering van een zondaar. God telt ze één voor één. God zegt niet: Jij bij voorbaat wel, jij bij voorbaat niet, nee, God is oprecht blij met iedereen die Hij vindt.

Gun God zijn blijdschap.
De vader van de verloren zoon zegt tegen de oúdste zoon: Je moest blij zijn, vrolijk zijn.
De Farizeeers gunnen God zijn blijdschap niet. Over het lot van de zondaren kunnen ze alleen maar pessimistisch denken, en met chagrijn.
Maar Jezus zegt: mijn Vader wil een feest aanrichten voor tollenaren, zondaren, voor de jongste zoon, én voor Farizeeërs en schriftgeleerden. Hij wil ze er allemaal bij hebben.
En dan moet iedereen zich toch zeker wél bekeren?
Ja, God wil dat de mensen in Hem geloven. Zo eindigt onze Schriftlezing ook: met een zondaar die zich bekeert.
Maar voorop staat hier het dóórzoeken van God.
Het uiterste van God: al moet de onderste steen boven komen, al moet Hij alles ervoor overhoop halen, al moet Hij zijn eigen kind ervoor offeren: Hij moet en zal mensen terugvinden.
Ik vind dat zo ontzettend vertroostend.
God wil niet, dat er iemand verloren gaat. Dat er iemand kwijt blijft. Zonder die ene is zijn bruidstooi niet compleet.
De Farizeeërs zijn veel zuiniger. Die geven maar weinig mensen een kans. Zondaren, verloren mensen, zijn bij hen afgeschreven.
Maar als je de reikwijdte het evangelie wilt begrijpen, de breedte en de diepte van Gods verlossing, dan moet je eens goed doordenken, over Lukas 15.

God zoekt ons op. Hij weet als de beste, dat wij zo verloren kunnen zijn, dat we Hem niet kunnen vinden.
Dan zoek Ik jou toch, zegt Hij.

Nog één ding: is het niet gevaarlijk geweest van Jezus, om zo te preken? Is het niet slap, oneerbiedig, om daar zo het accent op te leggen: dat God óns wel zoekt, i.p.v. omgekeerd? Maak je daar de mensen niet lui van?

Dat zou je eens moeten vragen aan die tollenaren en zondaren, met wie Jezus zit te eten. Hén bedoelt Jezus.
Zij weten zich: gevónden.
En wat doen ze dan? Zo begint onze tekst: ze plachten bij Hem te komen. Dat betekent: ze hadden de gewoonte. Ze kwamen steeds weer bij Jezus terug. Ze waren niet bij Hem weg te slaan. Ze dronken zijn liefde in. Hoezo nou gemakzuchtige christenen? Ze zijn er vol van.

Als je van jezelf weet, dat je verloren was, dat God je kwijt was, maar Hij heeft je gevonden, als je dat weet, dan kijk je niet hooghartig de wereld in - nee, dan ga je hopen voor de mensen om je heen. Je gaat bidden, je gaat verwachten, je draagt het uit: je verlorenheid, je gevondenheid, en je geeft het door: God is niet een Beul, een Verwoester, maar een Herder, een Vinder.
Hij heeft zelfs MIJ gevonden. Dan is er misschien ook hoop voor mijn medemensen.
Want God is God, en Hij geeft het zoeken niet op, voordat Hij gevónden heeft.
Dit is het evangelie van Jezus Christus.

Amen