Preken

terug naar prekenoverzicht

Preek bij Jesaja 2 door Ds. F.H. Blokhuis

Geliefde broeders en zusters van onze Here Jezus Christus,

Hoe zal het later zijn?
Om bij God te wonen, op de nieuwe aarde, hoe zal dat zijn?
Hoe zal het aflopen met de huidige wereld, met de mensen die daarop wonen?
Hoe ziet het eruit, straks?

Vaak zeggen wij tegen elkaar: Dat wéten we niet. Het is een verrassing van God, wij weten niet hoe het zal wezen. We zullen het wel zien.
Dat zeggen wij vaak.

Maar het klopt natuurlijk niet helemaal.
Wij weten er best wel wat van. We kúnnen er wat van weten.
Want we hebben de profeten. En we hebben de Openbaring aan Johannes.
Als we ons erin willen verdiepen, dan kunnen we best wel iets te weten komen over Gods plannen met de aarde, en met de mensen, de volken.
De profeten zeggen er genoeg over.

En dan moeten we ook maar niet te gauw zeggen, zoals ik dat kortgeleden iemand hoorde zeggen bij een begrafenis: Het zijn maar wóórden.
Dat zou je kunnen denken: Och, die profeten zéggen maar wat, het is maar gestamel – ook zij weten niet hoe het straks zal wezen.

Als een profeet een woord van God krijgt, dan zegt hij nooit: Dat is maar een woord.
Trouwens, geen enkele Jood zal dat zeggen. Een woord is een dabar, en als er een dabar klinkt, dan gebeurt er iets.

We hebben vanmorgen gelezen uit Jes.2.
Moet je even kijken hoe dat daar staat: Het woord, dat Jesaja aanschouwd heeft, het woord dat hij gezién heeft.
Woorden zijn in het Hebreeuws: gebeurtenissen.
En zeker als de Here God gaat spreken: Hij sprak en het was er.
Hij zei het woord Licht, en er was licht.
En zo zegt de Here dingen, woorden, debarim, tegen Jesaja, en Jesaja ziet het zo voor zijn ogen ge-beuren.

En wie mogen er dan met Jesaja meekijken?
Tegen wie zégt hij deze woorden?
Juda en Jeruzalem.
Dus dat is het zuiden van Israel, de twee stammen, met de hoofdstad Jeruzalem.

En hoe is Juda er aan toe?
Is het zielig? Is het de tijd van de ballingschap?
Is Jesaja bezig om Juda te troosten?
Nou, dat komt later: Jes.40: Troost, troost mijn volk.
Maar in Jes.2 is Juda helemaal niet zielig.
We kunnen lezen hoe het ervoor staat.

[2:7] Zijn land is vol zilver en goud en aan zijn schatten is geen einde; ook is zijn land vol paarden en aan zijn wagens is geen einde;

Dus, Juda is heel erg rijk en welvarend. Er is nog helemaal geen ballingschap, er zijn gewoon Judese koningen en het gaat ontzettend goed eigenlijk.
Nou, dan ben je benieuwd hoe het op geestelijk gebied zal zijn – want dat gaat vaak samen: financi-eel rijk, geestelijk arm – en inderdaad:

6 Voorwaar, Gij hebt uw volk, het huis van Jakob , verworpen, omdat het geheel beinvloed is door het Oosten en toverij pleegt als de Filistijnen en samendoet met kinderen van buitenlanders.

8 ook is zijn land vol afgoden: voor het werk van eigen handen, voor wat eigen vingers hebben gemaakt, buigt men zich neder.

Dus dat is de situatie in Juda.
En Juda ziet dat zelf niet. Juda denkt: Het gaat goed.
Juda voelt zich lekker in al die voorspoed.
De mensen zijn er blij mee. Ze zijn er trots op.
Ze denken: We hebben het goed voor mekaar.

En dan moet Jesaja zeggen, in 2:12-18

12 Want er is een dag van de HERE der heerscharen tegen al wat hoogmoedig is en trots en tegen al wat zich verheft , opdat het vernederd worde;
13 tegen alle trotse en hoge ceders van de Libanon en alle eiken van Basan,
14 tegen alle trotse bergen en alle hoge heuvels,
15 tegen elke hoge toren en elke steile muur,
16 tegen alle schepen van Tarsis en alle kostbare kunstschatten.
17 Dan wordt de verwatenheid der mensen neergebogen en de trots der mannen vernederd, en de HERE alleen is te dien dage verheven ,
18 en de afgoden zullen volkomen verdwijnen.

Even tussen haakjes, uit dit tweede gedeelte van Jes.2 blijkt wel, dat een profeet van de Here niet alleen maar te zien krijgt, wat er in de tóekomst zal gebeuren.
Wij denken bij profetieën automatisch aan woorden over de toekomst, maar een profeet ziet ook, wat er op dit moment gebeurt.
Een profetie is een woord van de Here over alles wat er gebeurt.

En juist door het zo naast elkaar te zetten: het heden en de toekomst – krijgt het begin van Jes.2 zo’n extra zeggingskracht.

Want kijk, nu komt het heel scherp tegenover elkaar te staan.
Juda voelde zich op dat moment heel wat, hoog verheven – maar de Here zal het neerdrukken.
Alles wat er hóóg is, gaat tegen de vlakte.
Jeruzalem daalt neer.
Je moet eens kijken hoe Jesaja Jeruzalem moet aanspreken in hoofdstuk 1.

[1:10] Hoort het woord des HEREN, bestuurders van Sodom; neigt uw oor tot de onderwijzing van onze God, volk van Gomorra.

Sodom en Gomorra, zo wil je toch niet genoemd worden.
Die namen wil je niet eens meer horen, laat staan zo genoemd worden.
Sodom en Gomorra zijn ondersteboven gekeerd, met al hun afgoderij.

Máár, dan komt het begin van hoofdstuk 2,
en dat staat dus ingeklemd tussen die strenge woorden tegen het hoge en trotse Jeruzalem in hoofd-stuk 1 en verderop in hoofdstuk 2:

[2:2] En het zal geschieden in het laatste der dagen : dan zal de berg van het huis des HEREN vaststaan als de hoogste der bergen , en hij zal verheven zijn boven de heuvelen . En alle volkeren zullen derwaarts heenstromen

Dus, Jeruzalem zal nu eerst neergedrukt worden,
en daarna verheven worden.
En dan zal het zijn zoals de Here het bedoeld had.
Jeruzalem zal radicaal veranderen,
het zal een metamorfose ondergaan.

Het zal straks niet meer zijn die stad, die het zo goed voor mekaar heeft,
maar na het oordeel, door de crisis heen, zal het nieuwe Jeruzalem de stad zijn waar de volken heen komen, omdat daar het onderwijs van de Here te vinden is.
De stad die eruit springt, op de hoogste van alle bergen.

De profeet Ezechiël heeft dat ook gezien: de hand van de Here zette mij op een zéér hoge berg, zegt hij.
Vorige week hebben we nog gezongen: Op Sions berg sticht God zijn heilige stad.
En dan zal de top van die nieuwe stad tot in de hemel komen, of beter: uit de hemel neerdalen, of neerglooien; zo heeft Johannes het gezien bij de Openbaring, een berg met afmetingen van Amster-dam tot Athene, zo breed en zo hóóg ook. En dan staat er wel bij: mensenmaat die engelenmaat is, het zal ons begrip wel te boven gaan - maar toch krijgen wij het in onze taal te horen, want de Here wilde het openbaren.

Hij openbaart aan Johannes dat de volken naar die hoge berg toe komen, de mensen zullen zijn vol-ken zijn, en ze brengen hun schatten mee, en ze zullen wandelen in het licht van de Here Jezus.
Daar heeft Jesaja het in onze tekst ook over, vers 5, wandelen in het licht van de Here.
Jesaja heeft gezien dat de volken op de hoge berg af zullen komen, omdat vandaar de wet zal uit-gaan, mooier vertaald: het onderwijs. Leren hoe je wandelen moet.
De volken willen dat en God zal ze tellen als in Israel ingelijfd.
Dat had Hij al aan Abraham beloofd: in jou zullen alle volken van de aarde gezegend worden.
Alle volken en vele natiën, staat er in onze tekst. Of beter vertaald: het geheel van de volken en de veelheid van de natiën.

En dan krijgt de profetie een spits in vers 4:

[2:4]En Hij zal richten tussen volk en volk en rechtspreken over machtige natien. Dan zullen zij hun zwaarden tot ploegscharen omsmeden en hun speren tot snoeimessen; geen volk zal tegen een ander volk het zwaard opheffen , en zij zullen de oorlog niet meer leren.

Deze tekst hangt in het gebouw van de Verenigde Naties, de Volkenbond, die al meer dan 50 jaar bestaat.
Na de Tweede Wereldoorlog kwamen landen van de hele wereld bij elkaar om te zeggen: Dit willen we nooit meer.
En tot nu toe is er inderdaad geen wereldoorlog meer uitgebroken.
Eigenlijk is dat heel ontroerend: niemand wil oorlog. Als je het aan de mensen zou vragen, zouden ze allemaal zeggen: Ja, wat jullie daarnet gelezen hebben in de kerk, dat willen wij. Dat iedereen in vrede met elkaar kan leven. Dat de geschillen tussen de landen nu eindelijk eens door een onpartijdige rech-ter worden opgelost.

Dat wil iedereen.
Maar er zijn nog nooit zoveel wapens geweest.
In onze tijd wordt er dagelijks gesproken over massavernietigingswapens.
Zo’n oorlog in Irak kost miljarden euro’s.
Om van de ménsenlevens maar te zwijgen.
Mensenlevens tellen niet, zeker niet bij terroristen.
Jonge mannen worden opgeleid, om andere jonge mannen af te slachten.
Jesaja zegt: de oorlog zal niet meer geléérd worden. Oorlog wordt in deze wereld geléérd, en leren doe je vooral aan kinderen, kindsoldaten.
Er leven nog steeds soldaten van de Tweede Wereldoorlog: wat een jonge gasten moeten dat ge-weest zijn, toen ze gingen vechten.
Ze hebben de oorlog geleerd.
Natuurlijk, in onze tijd leren ze ook de vréde, je hebt vredesmissies van de VN: maar ook die blauw-helmen zijn geen engelen zonder wapens.
Vijftien jaar geleden had je nog de koude oorlog, tussen Oost en West, maar tegenwoordig vechten de Russen én de Amerikanen tegen de moslimextremisten – het kan zomaar verschuiven, het is een angstige tijd.

In de tijd van Jesaja was het net zo onrustig.
Juda leefde dan wel in grote welvaart, maar er was telkens dreiging. Want je had Assur, Babel, en Egypte, en de macht verschoof telkens van de één naar de ander, en een klein land als Israel moest altijd maar gokken bij wie ze wilden horen.
En ze kochten hun wapens: we hebben gelezen

[2:7] Zijn land is vol zilver en goud en aan zijn schatten is geen einde; ook is zijn land vol paarden en aan zijn wagens is geen einde;

Paarden en wagens – daar was koning Salomo (de koning van de sjalom), nota bene al mee begon-nen, met al die paarden.

Dus je hebt dat rijke land, Juda, en om de rijkdom veilig te stellen, investeerden ze ook in wapens. Ze steken hun wapens en hun torens in de hoogte – en nu zegt Jesaja: er is een dag van de Here tegen alle schatten en schepen en steile muren en trotse mannen en hoge torens. Wat een angstig actuele woorden zijn dat.

Juda koesterde zijn welvaart en gokte op een goeie bondgenoot: Assur, of juist Egypte.
En nu is de boodschap van Jesaja, door het hele boek heen, dat de Here zegt: bij MIJ moet je wezen. Bij Mij ben je veilig.
Zo eindigt onze tekst ook, met een aansporing aan die afvallige en trotse Judeeërs:
[2:5] Huis van Jakob, komt, laten wij wandelen in het licht des HEREN.
Huis van Jakob, zegt de Here, kom af van het idee, dat je jezelf in de hoogte kunt werken – het nieu-we Jeruzalem wordt radicaal anders dan het Jeruzalem dat jullie omhoog proberen te steken. Alleen de Here is daar verheven, zegt Hij (vers 17).
Ik zal daar de vrede leren.

Bij Mij zullen de volken hun wapens inleveren, omsmeden tot landbouw-werktuigen.
Ze zijn moe van de oorlog, ze willen dat niet meer leren, ze willen mijn wegen leren.
Er komen ploegen en snoeimessen, en de mensen gaan aan het werk in de tuin van de hofstad. Er komt een nieuwe hof van Eden. Er zal daar gewerkt worden met omgebouwde wapens.
Als je een bijbel hebt met verwijzingen, dan kun je zien dat de profeet Micha woordelijk deze zelfde dingen profeteert. Micha zegt er alleen nog bij: de volken zullen zitten, ieder onder zijn wijnstok en onder zijn vijgeboom, zonder dat iemand hen opschrikt.
Het gebladerte van de bomen des levens langs de Godsrivier zal zijn tot genezing van de volken – Openb.22.
Dat is toch verrukkelijk.

Dit is een wereld, waar eigenlijk iedereen naar verlangt.
En nou moeten we niet zeggen: Jesaja heeft er slechts van gedroomd. Nee, de Here heeft dit gespro-ken.

Hij zal rechtspreken tussen de volken.
Hij zal zeggen: Joden en Palestijnen, kom nou eens hier.
Christenen en moslims, kom nou eens in vrede bij elkaar wonen bij Jezus Christus.
Zie je nou wel dat het kan.

Het oude Jeruzalem, uit de dagen van Jesaja, en uit onze dagen – dat Jeruzalem moet een gedaan-teverwisseling krijgen.
Het zal bijna onherkenbaar veranderen.
Het was in de dagen van Jesaja en ook in onze tijd: een stad van oorlog en welvaart, van afgoderij, van onrust, van opgeblazen lijnbussen, een stad van ongeloof,
een stad die maar niet wilde worden wat de Here voor ogen had,
waar de Here Jezus om geweend heeft, waaruit Hij is wég gekruisigd,
maar het zal verheven worden,
uit de hémel zal de Here het nieuwe Jeruzalem laten neerglooien,
en de mensen leggen al hun wapens neer,
niemand leert nog hoe je ermee moet omgaan,
iedereen heeft het druk met andere dingen,
ze gaan het nieuwe land bewerken,
ze gaan dansen om de thora, Gods onderwijs voor het leven,
ze gaan op hun knieën voor de Here Jezus.

Zeg niet te gauw, dat je niet weet hoe het straks zal wezen.
Want Jesaja heeft het gezien, hij heeft nog veel meer gezien, maar vanmorgen dit, en hij heeft het gesproken.
Jesaja 2.
Het zal precies het omgekeerde zijn van wat er nu is.
Daardoor wordt het voor ons enerzijds onherkenbaar.
Maar anderzijds zullen we zeggen: Ja, dit kennen we.
Zo moest het zijn. We herkénnen het, want ons diepste verlangen en onze heimwee gingen uit naar deze stad, waar God zelf woont. We herkennen het, u toch ook, want God had er al iets van laten zien, door zijn profeten.

Amen