Preken

terug naar prekenoverzicht

Preek bij Jesaja 11

Geliefde broeders en zusters van onze Here Jezus Christus,

Hoe zal het zijn, straks, om bij de Here God te wonen?
Zullen er op die nieuwe aarde nog dieren zijn?
Wat betekent het,
dat er nooit meer een wolf achter een schaap aan zit,
een panter achter een bokje?
Zou dat letterlijk zo gaan gebeuren?
En wanneer? Op de nieuwe aarde?
Of eerder, nog op deze aarde, in een soort vrederijk (kopje NBG)?
Of toch niet letterlijk? Moeten we het meer opvatten als beeldspraak, zo van: zó vredig zal het later worden?

Vorige week hebben we uit Jes.2 gelezen: de zwaarden worden omgesmeed tot ploegscharen.
De mensen gaan straks werken in de tuin van de hofstad, a.h.w. met omgebouwde wapens.
Ze leren niet meer de oorlog, maar de wegen van de Here.
Alle menselijke hoogheid wordt neergehaald en de berg van de Here zal boven alles uitsteken.
Jesaja ziet die Godshoge berg, die Johannes later ook gezien heeft, in Openb.21, op de nieuwe aar-de.
Het nieuwe Jerzalem, dat neerglooit uit de hemel op de aarde – een berg met een stad en met rivier, waarlangs de bomen des levens groeien – en daar zal gewerkt worden, niet met wapens, maar met tuingereedschap.
Jes.2 ging dus duidelijk over de nieuwe aarde – over ‘het laatste der dagen’.

In Jes.11 staat geen enkele directe tijdsaanduiding.
We gaan straks wel kijken, hoe je die vrede tussen de dieren moet opvatten, maar eerst: wanneer zal dat gebeuren? Heeft Jesaja dat ook gezien?
Dat staat niét in hoofdstuk 11.
Maar wel verderop. Want Jesaja komt erop terug.

[65:25] De wolf en het lam zullen tezamen weiden en de leeuw zal stro eten als het rund, en de slang zal stof tot spijze hebben; zij zullen geen kwaad doen noch verderf stichten op gans mijn heilige berg, zegt de HERE.

Jesaja gebruikt hier precies dezelfde bewoordingen als in onze tekst. En wat zegt hij erbij:

[65:17] Want zie, Ik schep een nieuwe hemel en een nieuwe aarde; aan wat vroeger was, zal niet gedacht worden, het zal niemand in de zin komen.

Dan moet ook onze tekst, Jes.11, betrekking hebben op de nieuwe aarde.
Dat wordt nog eens onderstreept in vers 9, want daar gaat het ook weer over die berg van God.

Dus dat wat betreft het moment.
Op zich is dat trouwens niet het belangrijkste: wannéér het precies gebeurt.
De twaalf discipelen hebben meermalen aan Jezus gevraagd, wanneer iets zou gebeuren, en daar ging Hij ook niet al te diep op in.
Dat is aan de Vader, zegt Hij dan.
Als júllie er nu maar rekening mee houden dát het gaat gebeuren.

En volgens Jes.11 zullen de dieren in vrede met elkaar leven.
Dat zal gebeuren.

Ja, gaat dat letterlijk gebeuren?
Als je wilt weten, hoe het straks bij God zal zijn, dan moet je wel weten of iets echt zó zal gebeuren, als er staat - óf dat het misschien meer een symbolische betekenis heeft.
De meeste uitleggers die ik heb geraadpleegd, zeggen bij Jes.11: wat Jesaja hier heeft gezien, is niet echt, maar meer een soort áfbeelding.
De dieren hebben dan een symbolische betekenis. Het is beeldspraak.

En ik denk, dat die uitleggers voor een deel gelijk hebben.
De dieren worden hier genoemd, als een afbeelding van wat er in de wereld van de ménsen, van de vólken, gaat gebeuren.
Jesaja heeft ook niet zomaar een paar dieren gezien.
Hij heeft wolven gezien, en leeuwen, en slangen.
Allemaal dieren met een symbolische betekenis in de bijbel.
De slang is straks een tam dier.
De leeuw gaat niet langer brullend in het rond.

En dat zou dan ook heel mooi passen bij de rest van Jes.11.
Want zeg nou zelf, het komt ook wel een beetje uit de lucht vallen: al die vredelievende dieren.
Jesaja hád het erover, in vers 1-5:
dat er iemand zou komen, die alles récht zou zetten,
En Jesaja zegt, meteen ná dat gedeelte over de dieren, dat
[vers 9 - geen geweld meer]
Het gaat Jesaja dus duidelijk om de mensenwereld, de volkenwereld.

In het eerste gedeelte van Jes.11 gaat het om het woord ‘recht’.
Richten, rechtspreken, gerechtigheid – daar gaat het om.

En waarom moet Jesaja het daarover hebben?
Blijkbaar zat het niet helemaal goed met het recht in Israel en trouwens met het recht in de hele we-reld.
Er was zoveel scheef gegaan.
Ik zal dat met één vers illustreren.

[5:7] Welnu, de wijngaard van de HERE der heerscharen is het huis Israels, en de mannen van Juda zijn de planten waarin Hij vreugde heeft ; Hij verwachtte goed bestuur, maar zie, het was bloedbestuur; rechtsbetrachting, maar zie , het was rechtsverkrachting.

Jesaja profeteert in een tijd dat Juda steunt niet op God, maar op geld (ze zijn stinkend rijk), wapens en afgoden.
En nu horen we, dat daar ook nog eens ónrecht bij komt.
De rijke mensen worden voorgetrokken. Zij kopen de rechters om. Dus in een rechtszaak krijgen ze altijd gelijk.
De mensen met weinig geld kunnen nooit een zaak winnen, maar alleen de mensen met veel geld en met een grote mond.
Het is het recht van de sterkste. En dat is geen recht.

Sowieso ging de rechtspraak in die tijd een stuk primitiever dan in onze dagen.
De belangrijkste rechter was de koning. En als je het getroffen had, dan was het een godvrezende koning, zoals koning Salomo in zijn goeie tijd. Salomo had van de Here veel wijsheid gekregen.
En Salomo wist hoe je een zaak verstandig moest aanpakken.
Haal een zwaard, zei hij, toen die twee moeders ruzie hadden om dat ene kind.
Maar moet je je nu eens voorstellen, dat de koning niet godvrezend is; zo’n koning laat zich omkopen door een rijkaard; en hij zegt: Haal een zwaard. Dan houd je je hart vast.
Zo deed koning Achab, bij de wijngaard van Nabot: hij wou dat stuk grond hebben en toen liet hij even twee valse getuigen optreden. En toen werd Nabot vermoord.
En zo had je ook in Juda, in de tijd van Jesaja, koningen, kinderen van David, die er een potje van maakten.

Daarom moet er iets gebeuren met dat huis van David.
En daarover gaat het in vers 1:

[11:1] En er zal een rijsje voortkomen uit de tronk van Isai en een scheut uit zijn wortelen zal vrucht dragen.

Als wij het stukje over de dieren, die in vrede met elkaar leven, goed willen begrijpen, moeten we eerst begrijpen wat eraan vooraf gaat.
Jesaja gebruikt in vers 1 het beeld van een afgekapte boom.
Zo had hij hoofdstuk 10 ook afgesloten.

[10:33,34] Zie, de Here, de HERE der heerscharen, houwt met vervaarlijke kracht de loverkroon af , de rijzige stammen worden omgehouwen en de hoge geveld;
34 het dichte gewas van het woud houwt Hij af met het ijzer, en de Libanon zal vallen door de Heerlijke.

En dat gaat dan o.a. over – NBG-kop: opmars van de Assyriërs.
Assur, dat was de grootste macht in die tijd, maar dat gaat eraan, zegt Jesaja.
Dus dan heb je een heel bos met neergehaalde bomen.
Assur gaat plat!
Dat is net zoiets als dat je in onze tijd zou zeggen: Amerika gaat op zijn gat! Of: de moslimextremisten zijn uitgeschakeld!
Assur gaat plat!
En alles gaat plat. Alles wat uit is op macht, door geweld. Ook Israel, ook Juda. Er blijft geen boom staan.

En wat héb je dan nog? Kan God dan nog wel vérder?
Er moet toch wel één boom blijven staan, een boom van Gód?
Ja, maar om die boom goed in beeld te krijgen, moeten alle andere bomen plat, want je zag door de bomen die ene Boom van God niet meer.
En dan zie je dat veld met tronken.

En dan gaat er eentje uitlopen. De boom waar het om gaat.
Zo’n boom die neergesabeld is: die komt weer op.
De tronk van Isaï.
Isaï – de vader van David.
Jesaja zegt niet: het huis van David komt weer op.
Nee, even geen David. De zonen van David maken er maar een potje van.
Jesaja heeft geprofeteerd in de tijd van Uzzia, Jotam, Achaz, Hizkia – dat waren geen beste koningen, hoewel, Hizkia dat ging nog.
Maar die anderen. Die konden niet in de scháduw staan van hun vader David.
Weg ermee.
Wat Jesaja hier zegt, is best gevaarlijk. Hij geeft kritiek op de koningen, op het huis van David, door de náám van David niet eens te noemen, en door te zeggen dat er nog maar een trónk van overblijft.
God moet hélemaal opnieuw beginnen, bij de wortel.

En dan komt de profetie over de zoon van David, uit de tronk van Isai: over de Here Jezus.
Op Hem zal de Geest des Heren rusten. (dwz. de Geest zal niet weer weggaan, maar blijven.)
De Geest van wijsheid en verstand (Salomo).
De Geest van raad en sterkte.
De Geest van kennis en vreze des Heren.

En HIJ zal weer rechtvaarig rechtspreken. Dat is de kern van de boodschap.
Als Jezus komt, dan heb je Iemand op Wie je aan kunt, want de Geest van Gód rust op Hem. De Geest die je dóór heeft. De Geest die de wereld overtuigt van zonde en van gerechtigheid en van oordeel.
Jezus komt met een eerlijk gericht.
Hij zal niet richten “naar hetgeen zijn ogen zien”.
Dat kreeg Samuel al te horen, toen hij bij Isaï in huis was, om daar een koning te gaan zalven: Samu-el, je moet niet kijken naar wat je ógen zien – precies Jes.11. Beoordeel iets of iemand niet zomaar op zijn uiterlijk.

Jezus kijkt naar je hart.
Hij laat zich niet omkopen.
Hij zal niemand voortrekken.
Bij Jezus krijgt iedereen een kans, om te beginnen degenen die nooit een kans kregen. Degenen die niet meetellen. Die altijd achter het net vissen. Die aan de kant geduwd worden.
Die niet tot hun récht komen.

In deze wereld geldt het recht van de sterkste.
Het recht van de rijke landen, van de multinationals, van de blanken, van de grote bek. Het recht van de zondemacht.
Onze voorouders, de Germanen, hadden in hun heidense religie ook een soort hemel, het Walhalla, en die hemel was bestemd voor de hélden, voor de vechtersbazen, de dapperen. De Ariërs, de Über-menschen.
Degenen dus, die vanaf de zondeval voor zichzelf opkwamen ten koste van anderen, voor degenen die zelf voor gód speelden.

Jezus zegt: Bij Mij worden de laatsten de eersten.
De laatsten: die gebukt gaan onder de zonde van zichzelf en anderen.
En degenen die met een grote mond de zonde wegschreeuwen, komen achteraan.
In het koninkrijk van God gaat alles op de kop.
Waar Jezus koning wordt, daar zal het faliekant anders gaan dan in de rest van de wereld.
Het is niet langer het recht van de sterkste (denk aan de dieren!).

Deze boodschap heeft Jesaja gebracht. En we kunnen wel aanvoelen hoe die is overgekomen, op de goddeloze rechtsverkrachters, maar ook als een troost voor de kanslozen, voor de mensen die we in Jes.40 horen zeggen: Mijn recht gaat aan mijn God voorbij.
Het hele boek door laat Jesaja horen, dat God de moedelozen tot hun recht laat komen. Er gaat wat gebeuren.

En als het goed is, kun je daar al wat van zien in de gemeente van Jezus Christus. Dat mensen tot hun recht komen.
Dat mensen die in de maatschappij altijd in de hoek zitten waar de klappen vallen, dat die in de kerk tot ontplooiing kunnen komen. Dat ze met hun talenten naar buiten durven te komen.
Ik ken zulke mensen: die zwak zijn, te zwak voor deze wereld, maar in de gemeente zijn ze kostbaar, onmisbaar.
De Here geeft je een kans, Hij zal de armen richten - Er schafft Ausgleich, zegt een Duitse vertaling (gelijke stand).

Zo zal het zijn in het rijk van Jezus.
In zijn gemeente. Waar de Geest van de kennis rust.
Dwz. de Geest die ervoor zorgt dat je God ként.
Dat je iets met Hem hébt. Dat je close bent met God.
Je kijkt met Hém mee, niet naar wat je ogen zien, maar je kijkt verder, naar het hart. Je door-ziet de dingen, de mensen.
En waar dat gebeurt, waar God echt gekend wordt, komen de dingen
te-recht.
En dan, zegt Jesaja, zal de hele aarde vól zijn van die kénnis van God. Dan zoeken de volken Jezus, de wortel van Isai.

En in dit verband worden de dieren genoemd.
Het is heel opvallend dat een andere profeet, Hosea, ook een verband ziet tussen: het kennen van God, en het welzijn van de dieren.
Hosea zegt: Er is geen kennis van God in het land, en dáárom treurt het land en alles wat erin woont: de dieren van het veld, de vogels en de vissen.
Hosea zegt trouwens ook nog, dat het weer goed zal komen met Israel, dat er geen oorlog meer zal komen, en dan: dat de Here een verbónd zal sluiten met de dieren.

Als een profeet het heeft over dieren, dan denk ik, dat wij dat niet alléén maar symbolisch moeten opvatten.
De hele schepping, schrijft Paulus, wacht reikhalzend op het moment van de verlossing. Ook de die-ren wachten daarop.

Onze God houdt van de dieren.
Toen de profeet Jona zo boos was, dat Ninevé niet gestraft werd, toen zei de Here tegen hem: Man, Ik heb daar 120.000 kinderen wonen, én veel dieren.
En daar eindigt het boek Jona mee: dat de Here ook die dieren wil sparen.

Jesaja zegt in hoofdstuk 11, dat alles op deze aarde récht komt.
Weet je wanneer, zegt hij: Als je een wolf ziet verkeren bij een schaap. Als een leeuw geen grote bek meer heeft.
Als je dat ziet, dan weet je: Nu is het zover!

En wat ziet Jesaja dan precies: de wolf zal bij het schaap logeren – zo staat het er in het Hebreeuws. De wolf zal bij het schaap te gast zijn.
Zie je dat: het is daar niet meer het récht van de sterkste, want de sterkste krijgt onderdak van de zwakste.
De panter mag liggen bij het bokje. Er staat niet: het bokje mag veilig bij een panter gaan liggen, nee omgekeerd, de panter is te gast.
De leeuw zal niet langer een rund eten, maar hij zal het voorbeeld van dat rund volgen: hij zal ook stro eten, gras.
Zoals dat trouwens in Gen.1 staat: alle dieren aten van het gróen.
Maar het is duidelijk: de sterksten volgen de zwaksten.
De laatsten worden de eersten en de eersten de laatsten.
Dat is ondenkbaar, in de dierenwereld en zeker in de mensenwereld.
Maar als je diéren in vrede ziet leven, zegt Jesaja, dan weet je: Dit moet de niéuwe aarde zijn.
Dit tafereel, het is heel aards, het is ten slotte de nieuwe áárde.
Hier komt alles tot zijn recht, tot het recht van God.
Hier is Jezus koning.

Amen