Preken

terug naar prekenoverzicht


Preek bij Ezechiël 16

Geliefde gemeente van Jezus Christus,

Zo’n vondelingetje – dat kennen wij hier Nederland bijna niet meer.
Zo’n kindje, dat daar langs de kant van de weg is gelegd.
Heel soms hoor je nog weleens iets: over dat jongetje, dat een poosje terug bij een Burgers King was achtergelaten, met een briefje op zijn jas: Wie wil er voor mij zorgen?
Of dat meisje van negen maanden, dat door haar moeder in een kinderwagen was achtergelaten.

Het meisje in Ez.16 is gedumpt, daar zit geen briefje bij, dat kind is na de geboorte niet eens gewassen, de smeer en het bloed van de geboorte zitten er nog aan. Het kind is niet in doeken gewikkeld. Het is meteen na de geboorte zomaar ergens neer gekwakt. En binnen afzienbare tijd zal het sterven.
Men hechtte geen waarde aan je leven, zegt God.
Niemand keek naar je om.
Je werd niet gewassen, niet gemeten, niet gewogen, het interesseerde je ouders niet, er was geen kraamverzorging, je navelstreng werd niet afgeknipt, er was niet een vader die trots foto’s maakte en die ze per email de wereld overstuurde – je was niet welkom.

Dat ging zo wel vaker met meisjes, in het oude oosten, heb ik gelezen. Die telden niet mee. Soms werden ze meteen na de geboorte levend begraven.

Dus wat de Here God hier zegt, in Ez.16, dat is voor de Israëlieten wel herkenbaar. Zo ging dat bij de heidenen, bij de Amorieten en de Hethieten. Die hadden absoluut geen respect voor het leven.
Er was geen mededogen.
En de Here kan dat niet uitstaan.
Hij zegt: Als je ergens wandelt, en je ziet zo’n kindje liggen, dan kún je daar toch niet aan voorbijgaan. Hoe bestaat het dat iedere voorbijganger dat kind liet liggen. Misschien tilden ze het even op, en dan zeiden ze: O, het is een meisje.

Toen kwam Ik voorbij. De Here God komt voorbij!
En Ik zág je trappelen in het bloed van je geboorte.
Nou, als de Here God iemand ziét, dan komt het goed. Hij ziet Zacheus, Hij ziet Levi, Hij ziet Petrus en Andreas, en als je merkt dat Hij naar je kijkt, dan weet je dat het goed komt.
Ik zag je. En Ik zei: Leef!
Want dat wil God, Hij wil het léven.
Hij is er niet op uit om mensen de dood in te jagen, maar juist om ze een káns te geven. In Ez.18 vraagt de Here: Zou Ik een welgevallen hebben in de dóód van een goddeloze? En in hoofdstuk 33 zegt Hij dat nog een keer: Ik heb geen behagen in de dood van de goddeloze.

En zo redt Hij ook dat kansloze kind in Ez.16.
Als je goed kijkt, in de tekst, dan zie je dat alle actie van de kant van God komt.
Dat kun je niet genoeg benadrukken.
Het kind ligt daar te trappelen in het bloed.
En dan komt de Here.
En Hij zegt iets tegen haar.
En Hij neemt haar mee,
Hij laat haar opgroeien: Ik dééd je opgroeien als het veldgewas en je groeide op.

Je groeide op, máár – en dan komt nog eens de herinnering aan het begin: je wás naakt en bloot. Je was nergens meer. En toen kwam Ik.
En Ik waste je met water. Ik zalfde je lijfje.
En Ik gaf je kleren.
Ik gaf je dure kleren. Kostbare schoenen.
En sieraden: armbanden, een ketting, ringen, oorbellen, een kroon. De juwelier heeft goed aan je verdiend.

Dus álles wat dat meisje is, alles wat ze heeft, komt van God.
Wij kijken heel vaak naar wat wij zelf moeten doen. Wij kijken naar ons eigen geloof, of dat wel goed genoeg is.
Er wordt in de kerken vaak gepraat over de toeeigening van het heil. Of er wel genoeg van onze kant komt. Wij zeggen: een verbond moet je toch van twee kanten sluiten.
Wij moeten nu toch ook in actie komen.
Maar het enige, wat het meisje in Ez.16 doet is opgroeien, omdat Gód haar láát opgroeien.
Gód sluit een verbond met haar. Je leest niet dat ze dat verbond met elkáár sluiten, dat ze dat samen afspreken, nee: God ging een verbond met haar aan. Ze zeiden niet: Nu zijn we van elkaar, nee, God zegt in vers 9: Jij bent van Mij.

Dus, zo’n God hebben wij. Die eenzijdig, op zijn eigen initiatief, zo’n klein meisje verlost. Die ons redt en reinigt, voordat wij hebben kunnen zeggen: Ik kies voor God.
Hij ontfermt zich, omdat Hij zo is, omdat Hij ons al ziet bij onze geboorte en omdat Hij dan zijn vaderhart laat spreken.
Als je praat over het verbond, dan mag je denken aan het verbond dat uitgaat van de babydopende God.

Het is goed om dit te bedenken. Hoe het ook alweer met je begonnen is. Want dat houdt je klein. En het helpt je om op God te vertrouwen.
Het is goed om dit te bedenken.
In de tijd van Ezechiël waren ze het vergeten. En daarom is Ez.16 geschreven, en door Ezechiël ook verkondigd.
En het gaat tegen Jeruzalem. Jeruzalem is een stad geworden, die nergens meer aan deed. Ze was God vergeten.
Jeruzalem was een stad van goud geworden, en ze was los gekomen van God. Ze dacht: Nu kan ik mezelf wel redden. Nu ga ik genieten. Bedankt God – en ze ging bij Hem weg.
En toen ging Jeruzalem meedoen met de heidenen. Met hun godsdienst. En met hun politiek. Als er onrust was, sloot Jeruzalem een verbond met Egypte. Of met Assur. En de Here God bleef alleen achter.
Hij voelt zich als een vader die ziet dat zijn kind weggaat, zijn mooie kind, waar Hij zo goed voor gezorgd heeft. Een vader die hoort, dat ze in de prostitutie is gegaan.
En Hij voelt zich bovendien als een bedrogen echtgenoot. Want de tijd van de liefde was gekomen. De Here had gedacht: Nu wordt het wat moois, dat verbond tussen ons tweeën.
Hij had gedacht, dat Jeruzalem ook zeker wel verder zou willen met Hem. Want ze had alles aan Hem te danken.
Dat is het énige wat Jeruzalem had moeten doen: bij God blijven. God liefhebben.
En dat was toch niet zo moeilijk? Alleen maar blij zijn met God.

Maar Jeruzalem dacht: Nee, dat is niet spannend. Andere mannen, dat lijkt me spannender.
Die andere mannen zijn dus de heidenen, die Jeruzalem als baby eerst hadden laten stikken! Die geen waarde hechtten aan haar leven. Maar daar hoefde je niet over te beginnen, want ze had het helemaal in haar hoofd. Die heidenen met hun afgoden, dat was het. Met hun kinderoffers! De Here was niet alleen zijn vrouw kwijt, maar ook zijn kinderen: ze werden verbrand.
[vers 19 slot – Zelfs is het zover gekomen luidt het woord van de Here Here]

En de Here werd er misselijk van, Hij werd er ziek van. Zijn bruid lag in bed met allemaal mannen, die helemaal niets om haar gaven.
Als je doorleest in Ez.16, dan wordt het in geuren en kleuren verteld, hoe Jeruzalem loopt te pronken met al die sieraden die ze van God gekregen heeft, en hoe ze er de mannen mee lokt, de heidenen, en hoe gemakkelijk ze dan die kleren uittrekt. En ze vraagt er geen geld voor, voor al dat vreemdgaan, maar ze biedt zelfs geld aan. En ze offert haar kinderen eraan op.
En God – zijn maag draait om. En Hij houdt zich niet in, Hij spuugt het allemaal uit. Hij scheldt Jeruzalem uit voor hoer.
In de synagoge mocht dit bijbelgedeelte niet hardop worden voorgelezen, de rabbijnen vonden het te grof.

En je denkt: dit is ook niet iets om vrolijk van te worden!
Inderdaad, dit is de volle ernst van het evangelie. En het is best weleens goed om dat nog eens te horen.
De doop, dat is maar niet een aardigheidje. Het is maar niet een stukje folklore in de kerk waar je gezellig omheen komt staan.
Van Ez.16 kun je leren hoe bloedserieus het is. Bloedserieus. Je wordt gered úit je bloed, dat staat er drie keer in vers 6.
En je wordt gereinigd met het bloed van Jezus, weten wij onder het nieuwe verbond.
Als God ons reinigt, gaat het echt om leven en dood.
God WIL dat je leeft. Hij beveelt het aan dat meisje: Leef!
Maar later kiest dat meisje voor de dood. Ze kiest voor de doodlopende weg van het heidendom.

En nu denken wij, vanuit wat we geleerd hebben: Nou, dat was het dan.
De Here God sluit met jou een verbond. Dat gaat even goed.
Maar dan verlaat je Hem.
En dan is het voorbij.
Zo denken wij vaak over dat verbond met de Here God.
Wij denken echt, dat we voor 100% gelijkwaardige partijen zijn, en dat wij van onze kant het helemaal kunnen verknallen.
En natuurlijk kunnen wij het verknallen – als je gedoopt bent en je laat je nooit meer zien in de kerk en je wilt niets meer met God te maken hebben, dat is vreselijk. En dan kan God ook vreselijk tekeer gaan.

Maar hoe eindigt Ez.16? Ik weet nog goed, dat ik het voor het eerst las, met stijgende verbazing.

Want je krijgt dit, in Ez.16:
- Eerst het heimwee van God. Toen Jeruzalem nog van Hem was. Toen ze nog een klein kind was, een meisje dat opgroeide, met vlechtjes in het haar. En de Here zag haar nog liggen, langs de kant van de weg.
- Dan dat vreselijke overspel. Dat vloekt ontzettend met elkaar.
- En dan komt het slot, en dat is een bizarre climax.
De Here vindt het zó verschrikkelijk wat Jeruzalem doet, dat Hij zegt: Wat Sódom heeft gedaan, valt in het niet vergeleken bij wat jij doet.

[vers 48] Zo waar Ik leef, luidt het woord van de Here Here, voorzeker, uw zuster Sodom, samen met haar dochters, heeft niet gedaan wat gij gedaan hebt, samen met uw dochters.

Sodom, oei, dat is een plaats waar de Israelieten het nooit meer over hebben.
[vers 56: de naam van Sodom kwam nooit over je lippen]
Sodom, dat is te erg voor woorden. Ga maar kijken, Sodom is de Dode Zee.
En Samaria wordt hier ook genoemd, Samaria is voor de Israëlieten de plaats, waar ze maar hálf in God geloven. Waar geen tempel staat. De Samaritanen hebben alleen maar de vijf boeken van Mozes.

En wat zegt de Here nu, in dit hoofdstuk?
Zegt Hij: Jeruzalem, het zal met jou, helaas, net zo slecht aflopen als met Samaria, ja, als met Sodom. Zoiets zou je hier kunnen verwachten. Jeruzalem wordt minstens net zo op de kop gezet als Sodom, zoiets.
En inderdaad komen er zware gerichten over Jeruzalem.

[vers 40,41]40 Zij zullen een menigte tegen u doen optrekken , die u zal stenigen en met zwaarden neerhouwen,
41 en ook uw huizen met vuur zal verbranden en gerichten aan u voltrekken ten aanschouwen van vele vrouwen. Ik zal u met de ontucht doen ophouden, en ook het loon van een hoer zult gij niet meer geven.

Maar dan komt het:
[vers 42]Daardoor zal Ik mijn grimmigheid tegen u tot bedaren doen komen en mijn naijver zal van u wijken ; dan zal Ik tot rust komen en niet langer vertoornd zijn.
Psalm 103! Niet altoos zal Hij twisten.

En waarom wordt Sodom dan erbij gehaald?
De Here zegt in vers 53:
[vers 53] En Ik zal een keer brengen in haar lot , het lot van Sodom en haar dochters en het lot van Samaria en haar dochters ; en tevens zal Ik een keer brengen in uw lot,
Dit is een hele bizarre profetie!
Er wordt een keer gebracht in Sodom, dat betekent: het wordt omgekeerd – weet je wel, in de tijd van Abraham en Lot was Sodom toch ondersteboven gekeerd. Maar dat wordt weer terug gedraaid, zegt Ezechiël! Sodom komt weer overeind.
Dit zijn toch bijbelwoorden die je met knipperende ogen leest!
Ik moet in dit verband ook denken aan wat je leest in Ez.47.

[47:6-9] Toen zeide hij tot mij: Hebt gij het gezien , mensenkind? Daarop deed hij mij teruggaan langs de oever van de beek.
7 Toen ik terugkeerde, zie, langs de oever van de beek stonden aan weerszijden zeer veel bomen.
8 Hij zeide tot mij: Dit water stroomt naar de oostelijke landstreek, vloeit af naar de Vlakte en komt in de zee ; in de zee wordt het uitgestort, zodat haar water gezond wordt.
9 En alle levende wezens die er wemelen , zullen leven, overal waar de beek komt, en er zal zeer veel vis zijn, want als dit water daarheen komt, dan wordt het water van de zee gezond . Overal waar de beek komt, zal alles leven.

Wij weten ons geen raad met zulke profetieën. Wij denken: dat kun je toch niet letterlijk nemen?
Wat er staat in Ez.16, dat Sódom terugkeert in haar oude staat, van vóór haar verwoesting, dat kán toch niet!
Dat past toch niet in wat we geleerd hebben.
Ez.16 is (net als veel andere profetieën) nooit tot ons doorgedrongen. Het past niet in onze traditie. Misschien is dat ook wel een klein beetje de schuld van die goeie ouwe Statenvertaling. Die vertaling is een paar honderd jaar lang dé vertaling geweest in onze kerken, het is ook echt een hele goeie vertaling, geeft altijd een hele nauwkeurig weergave van het Hebreeuws. Maar hier in Ez.16 heeft-ie ineens wat gesmokkeld. Dat is heel raar.
Weet je hoe Ez.16:55 klinkt in de Statenvertaling (in ónze vertaling staat: Sodom zál terugkeren):
áls Sodom terugkeert in haar vorige staat, en áls Samaria terugkeert in haar vorige staat, dán zal ook Jeruzalem terugkeren in haar vorige staat.
De Statenvertaling zegt dus niet dát het zal gebeuren, zoals het wél staat in het Hebreeuws – nee, de Statenvertaling maakt het juist heel onwaarschijnlijk: áls Sodom terugkeert – en dat gebeurt natuurlijk niet – dan Jeruzalem ook. En dan staat er bij, in een kanttekening: dit gebeurt natuurlijk nóóit. Want Sodom is uitgeroeid.
Nou, met deze vertaling zijn onze voorouders opgevoed. En o.a. daardoor denk ik dat dit toch wel een blinde vlek is geworden in ons geloof: dat God uit zoiets doods als Sodom toch nog weer iets levends kan maken. Dat de toorn van God ook weer eens kan bedaren. God zégt het, in vers 42. En dat Hij dan weer iets moois gaat maken.
Ja, alleen voor de uitverkorenen van Jeruzalem, zeggen de Statenvertalers. Maar dat lees je nergens in Ez.16. Het gaat hier juist over dat ontúchtige Jeruzalem. En over het verwOeste Sodom (niet over de uitverkorenen van Sodom…). Dát zal veranderen.

Waar is de Here op uit?
Waarom wordt Sodom erbij gehaald en waar is het goed voor, dat Sodom terugkeert in haar vorige staat?
Dat is o.a. om Jeruzalem te prikkelen.
Want Jeruzalem ligt nu zelf ondersteboven. Het is onder de voet gelopen.
En dat goddeloze Sodom nota bene komt weer overeind.
En als Jeruzalem dat ziet gebeuren, dan zal er een schók door haar heen gaan!
Dan zal ze zich gaan schamen.
O God! Waar ben ik mee bezig geweest!
Schaamte is het sleutelwoord in dit laatste gedeelte van Ez.16. Ik heb het zo een stuk of tien keer onderstreept.

De eersten worden de laatsten.
De Here Jezus heeft gezegd: Het zal op de dag van het oordeel voor Sodom en Gomorra dragelijker zijn dan voor de mensen, die Jezus hebben langs gehad.

Sodom komt eerst overeind, en dan zal ook Jeruzalem, met het schaamrood op de kaken, weer overeind komen.
[vers 54] opdat gij uw schande draagt en u beschaamd gevoelt over alles wat gij gedaan hebt, waardoor gij haar troost hebt verschaft.

Wij denken: als wij van onze kant het verbond met God verbreken, dan verbreekt Hij het ook.
En inderdaad, dat zegt Ezechiël, in vers 59.
[vers 59] Want, zo zegt de Here Here: Ik zal u doen, zoals gij gedaan hebt, die de eed gering hebt geacht door het verbond te verbreken.
Máár,
[vers 60] Maar ik zal mijn verbond met u uit de dagen van uw jeugd gedenken, en een eeuwig verbond met u oprichten.
Het klinkt helemaal niet logisch. Ik zal het verbond verbreken – want jullie doen het ook. Ik geef jullie lik op stuk. Ik doe wat jullie doen. De twee kanten van en verbond.
Máár, en dan doorbreekt de Here onze logica: Ik zal toch weer terugdenken aan vroeger. Ik van Mij uit. Dat verbond met jullie gaat van MIJ uit. [vers 62]
Psalm 103: Niet voor altijd zal Hij met ons twisten!

En zo eindigt Ez.16 zoals het begonnen is: met een redding, die voor 100% afhangt van de Here God.
Jeruzalem was bij haar geboorte totaal hulpeloos. De Here heeft haar meegenomen.
Jeruzalem loopt weg van de Here, maar de Here laat haar niet gaan. Hij vernieuwt zijn verbond.
Dat doet Hij niet omdat Jeruzalem dat verdiend heeft, of omdat het erom gevraagd heeft.
Ik doe het omdat Ik zo ben. Omdat het reddende initiatief altijd bij Mij ligt.
In Ez.36 zegt de Here tegen Israel: niet om jullie, maar om MIJN heilige Naam, doe Ik het.

Jezus heeft geweend om Jeruzalem.
En Hij heeft gezegd:

[Luk.13:34-35] Jeruzalem, Jeruzalem, dat de profeten doodt, en stenigt wie tot u gezonden zijn, hoe dikwijls heb Ik uw kinderen willen vergaderen, gelijk een hen haar kuikens onder haar vleugels , en gij hebt niet gewild.
35 Zie, uw huis wordt aan u overgelaten. Maar Ik zeg u, gij zult Mij niet meer zien tot het ogenblik komt, dat gij zegt: Gezegend Hij, die komt in de naam des Heren!


Eerst de afstand, maar dan toch weer de toenadering. Dat is bij de Here altijd het laatste.

Hij wil mensen in leven houden, Hij wil niet dat iemand in goddeloosheid sterft.
Ik zal je meenemen.
En je reinigen.
Totdat je echt helemaal schoon bent.
En totdat je echt voor altijd bij Mij blijft.
Al heet je Sodom.
Al heet je Jeruzalem.
Al ben je gereformeerd gedoopt.

Amen